Geschreven voor Stichting ééndiabetes.

Vanmorgen had ik een afspraak bij mijn interniste. Meestal vind ik dat niet zo angstaanjagend, omdat ik zelf al wel weet of het goed gaat met mijn diabetes of niet. Maar deze keer voelde het toch anders. Wat zou mijn HbA1c zijn?

Met andere woorden, klopt mijn gevoel dat het goed gaat met de medicijnen, sinds ik terug ben gestapt op driemaal daags 1000 mg tolbutamide? Bij deze dosering zijn mijn bloedsuikers de afgelopen maand althans heel stabiel gebleven. Ik controleer ze alleen nog ’s ochtends voor het ontbijt en ’s avonds voor het slapen gaan en de waardes zitten dan keurig tussen de 5.5 en 8.5 mmol/l. Blijer kun je mij niet maken.

Zelfs een warm en zweterig dagje sauna, een bezoek aan de kerstmarkt met glühwein, currywurst en reibekuchen, en de feestdagen, waarbij ik mezelf heb toegestaan om ook gewoon mijn zelfgemaakte speculaastiramisu als toetje te nemen, ben ik vrijwel zonder Novorapid bij te spuiten doorgekomen. Ik was dus erg hoopvol gestemd dat het met mijn HbA1c ook wel snor zou zitten. Maar tóch vond ik het spannend.

Eenmaal aan het bureau van mijn interniste, blijkt mijn gevoel me niet in de steek te hebben gelaten. Mijn HbA1c is prachtig: 43 (oftewel 6.1 mmol/l voor degenen, die nog altijd omrekenen naar de oude waardes, zoals ik). Een enorm “yes-gevoel” maakt zich op dat moment van me meester.

Yes, ik begin mijn lichaam opnieuw te leren kennen op diabetesvlak. Yes, ik kan ervan uitgaan dat mijn alvleesklier met behulp van pillen net zo goed de insuline reguleert, als ik dat zestien jaar lang in mijn hoofd heb gedaan. Yes, ik kan de tolbutamide dus (voorlopig) met een gerust hart blijven slikken. Yes, ik ben het onderzoek naar de achtergrond van mijn diabetes niet voor niets gestart.

En yes, het vertrouwen in mezelf en de medicijnen groeit!

Wil je de originele column lezen, klik dan hier.